Het precaire statuut van de kunstenaar

16/03/2020 door admin

Sinds de grote knip in de cultuursubsidies is er heel wat ophef over de precaire situatie van kunstenaars. Maar waarom is hun situatie precair, en welke financiële en arbeidsgerelateerde gevolgen heeft het kunstenaarsstatuut? Kunstenaar zijn is geen luilekkerleventje leiden, zoals velen soms denken. Een interview dat heel wat mythes rond het kunstenaarschap doorbreekt. Dit interview verscheen eerder in Rekto Verso

In Brusselse Het Paleis der Academiën huist de Jonge Academie, een belangrijke ontmoetingsplaats voor jonge onderzoekers en kunstenaars. Ook hier leeft het debat omtrent de recente cultuurbesparingen en het kunstenaarsstatuut. Een onderzoeker heeft echter een ander statuut dan een kunstenaar, en voor sommigen was de hevige reactie op de besparingen niet even simpel te doorgronden.

Wetenschapsfilosofe Sylvia Wenmackers vroeg zich af waarom de kunstenaars van de Jonge Academie mee gingen betogen tegen de besparingen. Waarom is hun situatie precair? Pikken zij dan geen graantje mee van de exorbitante winstbedragen op de kunstmarkt? Zijn ze dan niet beschermd door het kunstenaarsstatuut?

Een gesprek met kunstenaars Katelijne Decorte, Frank Merkx (onderdeel van het kunstenaarscollectief Robbert&Frank Frank&Robbert), Ann Bessemans en Lodewijk Heylen om beter te begrijpen waarom de financiële situatie van kunstenaars dikwijls zo onzeker is.

Voor de meeste jonge mensen is het niet evident om een vaste baan te vinden. Is het dan niet normaal dat dit voor kunstenaars ook zo is?

Katelijne Decorte: “Voor de meeste kunstenaars is het perspectief op werkzekerheid veel slechter! Kunstenaars zijn, in tegenstelling tot werknemers, zelden of nooit fulltime in loondienst van een organisatie of bedrijf. En al helemaal niet voor onbepaalde duur.”

“Ze hebben doorgaans ook niet, zoals wetenschappers of onderzoekers, een affiliatie met een instelling of instituut. Als er toch sprake zou zijn van indienstname dan gaat het vaak over contracten van dagen. ‘Kort’ heeft dus een erg relatieve connotatie, want wat voor academici als kort ervaren wordt, is voor kunstenaars bijzonder lang.”

Frank Merkx: “De individuele kunstpraktijk wordt inderdaad gekenmerkt door een grillig en precair arbeids- en inkomensprofiel. Omdat kunstenaars werken voor verschillende opdrachtgevers en met diverse vormen van overeenkomsten, zal de mogelijkheid tot socialezekerheidsopbouw als werknemer slechts ontstaan wanneer zich een ‘opdracht’ (het befaamde artikel 1bis RSZ-wet) of arbeidsovereenkomst aandient.”

Zijn er dan echt geen alternatieven?

Ann Bessemans: “Om die financiële onzekerheid weg te werken, proberen veel kunstenaars hun praktijk te combineren met een baantje als docent aan een academie voor muziek, woord, dans en beeld. Dat is op zich positief natuurlijk, maar het probleem hier is dat de betrokken kunstenaar puur als lesgever aan de slag gaat en dus niet aangenomen wordt om artistiek onderzoek te doen.”

“Een docent aan een hogeschool of universiteit combineert wel onderzoek en onderwijs. Er is sinds kort ook zoiets als een doctoraat in de kunsten, waar artistiek onderzoek en ontwerp natuurlijk ook een centraal onderdeel van uitmaken.”

Dat is inderdaad een gunstige evolutie, maar het doctoraatstraject is niet voor alle kunstenaars weggelegd, veronderstel ik. Frank [Merkx] had het daarnet ook over opdrachten. Veel projectafhankelijk werk dus?

Lodewijk Heylen: “Ja, denk maar aan de acteur of actrice die werkt in opdracht van een theatergezelschap om te repeteren en erna op tour te gaan met een theatervoorstelling. Na de tour is de opdracht afgerond. Komt er een nieuwe opdracht, dan wordt bovenstaand systeem herhaald. Komt er geen nieuwe opdracht, dan heeft de acteur geen inkomen meer.”

“Doordat hij of zij niet in loondienst is, of onder de koepel van een instelling werkt, vervalt iedere vorm van zekerheid. Als de acteur in deze periode onderzoek wil doen voor een nieuwe theaterrol of wil werken aan een eigen creatie, dan is zijn of haar werk op dat moment niet verloond. De acteur in kwestie investeert dan eigen tijd en energie in een nieuw project.”

Worden kunstenaars dan niet beschermd door het kunstenaarsstatuut?

Merkx: “Om sperperiodes op te vangen kunnen kunstenaars – áls ze recht hebben opgebouwd tot een werkloosheidsuitkering, bijvoorbeeld door te werken in de horeca, een warenhuisketen, als assistent bij een andere kunstenaar of in het beste geval als kunstenaar zelf – beroep doen op een aantal voordeelregels in de werkloosheidsreglementering, verkeerdelijk omgedoopt tot het ‘kunstenaarsstatuut’. Met andere woorden, het kunstenaarsstatuut is geen beschermend statuut voor iemand in loondienst, maar een werkloosheidsstatuut.”

Decorte: “In principe heeft het statuut ook niets te maken met jouw inhoudelijke werk als kunstenaar. Het statuut is geen waardeoordeel of een carrièremaatstaf. Het is niet zo dat als je een kunstenaarsstatuut hebt je in de ogen van de buitenwereld een gerespecteerde maker bent (integendeel zelfs). Het kunstenaarsstatuut is in feite onzichtbaar.

“Het kan een hulpmiddel zijn, maar evengoed een blok aan het been. Het is dus niet, zoals een ondernemer die plots opklimt tot CEO of een onderzoeker die zijn doctoraatstitel behaalt, een hulpmiddel dat het aura van het artistieke onderzoek versterkt.”

Heylen: “Want uiteraard is dit geen statuut, het is slechts het gevolg van het te hebben gewerkt als werknemer. En de toegepaste voordeelregels die toegepast worden binnen de werkloosheid. Maar de kunstenaar blijft wel vastzitten in de werkloosheid.”

Voldoende werken is de boodschap. Maar dat is toch niet alleen zo voor kunstenaars: geldt dat ook niet voor seizoensarbeiders?

Heylen: “Inderdaad, de minister van Werk creëerde deze maatregelen voor een hele reeks precaire beroepen. Zo zijn er voordeelregels voor erkende zeevissers, havenarbeiders, huisarbeiders, houthakkers, seizoensarbeiders en dus ook kunstenaars: beroepen die projectafhankelijk zijn en gebonden aan beroepsspecifieke omstandigheden.”

Merkx: [Neemt er een blad vol fineprint bij] “Voor wie artistieke prestaties levert of kunstwerken produceert in opdracht, luiden enkele regels zo: ‘kunstenaars kunnen hun eerste (en eerlijk ook: de hoogste) vergoedingsperiode neutraliseren en de op dat moment uitkering behouden indien ze op het einde van het eerste jaar uitkering kunnen aantonen dat er in de voorbije achttien maanden ten minste 156 dagen werden gepresteerd als werknemer, waarvan er minstens 104 artistiek moeten zijn.’”

“Die artistieke prestaties die bij wijze van taakloon vergoed werden, worden voordelig berekend. Dit werd een juridisch discussiepunt waarvoor we CAO’s (collectieve arbeidsovereenkomsten) nodig hebben gehad en nu is dat de cachetregel geworden. 156 artistieke werkdagen, allemaal vergoed bij wijze van taakloon en onderworpen aan de sociale zekerheid der werknemers, zijn zo momenteel het equivalent van 9 562,80 euro bruto als werknemer.”

Heylen: “Nadien moeten kunstenaars nog elke twaalf maanden drie artistieke prestaties als werknemer verrichten, die in totale duur overeenstemmen met minstens drie arbeidsdagen. Geklonken die hoge uitkering, die eigenlijk afhankelijk is van het laatstverdiende maandloon of van een alternatieve berekeningswijze van de bruto(taak)lonen die werden ontvangen tijdens het laatste kwartaal.”

“Drie artistieke prestaties klinkt als peanuts, ware het niet dat VDAB/Actiris bij controle steeds 18 maanden zal terugkijken om te zien of in die periode ook weer 156 dagen als werknemer zijn gepresteerd, waarvan er minstens 104 ‘artistiek’ moesten zijn. Of ook weer het equivalent via die befaamde cachetregel. ”

Decorte: “Behoorlijk droge materie! Voor wie denkt dat kunstenaars dagelijks met sexy activiteiten bezig zijn… [Lacht] Veelal bestaat een kunstpraktijk uit het doornemen en opvolgen van allerhande statutaire documenten. Dit soort info wordt niet standaard meegegeven tijdens een kunstopleiding. En daarnaast veranderen de regels (en de bedragen) ook geregeld. Constante bijscholing is dus noodzakelijk.”

Enkele jaren geleden werd actrice Antje De Boeck door de RVA geschorst omdat ze weigerde als vestiaire-hulp te werken tijdens voorstellingen van de musical Daens. Kwam dat ook door dit systeem?

Heylen: “Inderdaad! En toch wordt er stilzwijgend meegewerkt aan dit systeem. Want hoe moet de kunstenaar protesteren? Het liefste van al wil de beeldhouwer werk maken en tonen, de muzikant musiceren en spelen. In functie van de kunsten wordt de trots ingeslikt en gaan veel makers mee in een zeer bizar verhaal.”

Tot nu toe ging het heel de tijd over werk in opdracht. Hoe zit het dan met kunstenaars die op eigen initiatief werken of zelfstandige worden?

Decorte: “Als kunstenaars niet werken in functie van een opdracht, dan werken ze in feite op eigen initiatief of autonoom.”

Merkx: “En elke zelfstandige moet een constante stroom van inkomsten hebben om driemaandelijks aan de sociale bijdragen en andere verplichtingen te voldoen. Daarnaast bouwt een zelfstandige geen rechten ter bescherming tegen de werkloosheid op.”

“Als je een scheppend kunstenaar bent die momenteel in een creatieperiode zit die ettelijke jaren aansleept en je hebt géén inkomsten én geen recht op uitkering, dan moet je ofwel beroep doen op eigen spaargeld of stoppen met je creatie om geld te gaan verdienen. Dus: werken in de horeca, in een warenhuis, als assistent bij een kunstenaar, enzoverder.”

Bessemans: “Of het onderwijs induiken.”

Maar dat is de investering toch waard? De kunstenaar in kwestie krijgt inkomsten als het eindresultaat getoond wordt, niet?

Heylen: “Daarom kost kunst ook ‘dust euro voor een uur’, zoals Brihang het rapte in zijn nummer Morsen, net zoals medicijnen.”

Decorte: “Op het moment dat een kunstwerk afgewerkt is, moeten kunstenaars op zoek naar een toonwijze én een toonplek. We worden onze eigen manager, onze eigen verkoper, onze eigen project-planner en onze eigen infrastructuur-medewerker.”

Merkx: “Maar we kunnen niet alles zélf. Veel artiesten zijn niet opgeleid of hebben geen kaas gegeten van management, verkoop of communicatie … De schrijver wil zijn schrijfsels uitgeven. Maar heeft vaak geen kennis over uitgeven of printtechnieken. Zodus heeft de schrijver nood aan een uitgever, én de beeldhouwer aan een museale ruimte, de acteur een theaterzaal, enzovoorts.”

“Maar! Als de artiest geluk heeft en iemand uit de sector kan strikken, dan schiet de machine van de kunstensector in gang: de dramaturgen, techniekers, museumdirecteurs, lassers, muurschilders, communicatiespecialisten, enzoverder. Al deze mensen zijn afhankelijk van de creaties gemaakt door de artiesten. Al deze mensen moeten ook verloond worden.”

Hoe komen zij dan aan de kost?

Heylen: “De instituten die kunst presenteren hebben dit ondersteunende personeel in loondienst. Deze mensen zorgen ervoor dat de artistieke creaties publieksklaar gemaakt worden. Maar zij zijn wel in loondienst en de kunstenaars niet.”

Bessemans: “En veelal is een instituut niet gesubsidieerd. Grote musea natuurlijk wel, maar kleine galerijen of offspaces moeten het vaak redden met eigen middelen.”

Merkx: “Eigen middelen wil in feite zeggen: meesurfen op de inkomstenstroom gegenereerd door de maker.”

Decorte: “De kunstenaar krijgt dus opnieuw geen inkomsten. Met alle gevolgen vandien …”

Begrijp ik het dan zo dat het de instituten zijn die het meeste verdienen?

Heylen: “Nee, ook niet, omdat deze instituten afhankelijk zijn van variabele inkomsten, zoals: ticketinkomsten, eventuele subsidies, giften en tax shelter. Vaak werken ze op de rand van hun financiële mogelijkheden. Er is geen marge.”

Decorte: “In de praktijk komt het erop neer dat het instituut eerst hun eigen ondersteunende personeel betaalt en met wat over is pas de werking kan faciliteren. Toch beter dan hun personeel te ontslaan?”

Heylen: “De kunstenaars worden tijdens de creatie- en presentatieperiode niet of amper verloond. Ze krijgen in ruil exposure en naamsbekendheid, maar hiermee onderhoud je geen gezin. Het brengt geen brood op de plank.”

Dus, kunst moet commerciëler?

Decorte: “‘Absoluut niet!”

Merkx: “Dat zou de uitkomst kunnen zijn… Maar niet alle kunst past binnen een kapitalistisch kader dat gebaseerd is op aankoop en verkoop, vraag en aanbod. De kunst die wél binnen dit systeem past, zeg maar, kunst die binnen het galeriewezen roteert, is vaak onderworpen aan gigantische financiële afspraken. Zo is het standaard aanvaard in de sector dat de galerij 50% à 60% van het verkoopsbedrag claimt.”

Is dat dan een specifiek probleem voor de beeldende kunst? Merkx: “Niet echt, nee. Ook in de muzieksector is het normaal dat de booker bovenop de gage nog 15% int en dat de manager 20% van alle inkomsten casht, terwijl de artiesten de overige 45% eerst moeten gebruiken om de techniekkosten te betalen en pas dan de overgebleven 30% onderling kunnen verdelen.”

“De manager houdt vaak meer over dan de gitarist of de drummer. En een manager heeft diverse artiesten in zijn/haar portefeuille (dus meerdere kanalen voor inkomsten). Op het eind van de rit wint iedereen behalve de kunstenaars.”

Ik neem aan dat de kunstenaar dan tenminste wel vrijgesteld wordt van belastingen?

Heylen: [Lacht schamper] “Op de inkomsten die wél naar de kunstenaars vloeien zijn een weinig of een beperkt aantal aan voordeelregels van toepassing. Zij betalen dus ook netjes hun BTW en andere belastingen. Voor zij die personen tewerkstellen die ‘artistieke prestaties’ leveren voorziet de wetgever evenwel in kortingen op de sociale bijdragen voor de werkgever. Maar wie is die werkgever vaak: een interimkantoor, een tussenpersoon … Nog steeds in een schril contrast tot de fiscale en sociale voordelen die sporters en voornamelijk sportclubs verwerven.”

Maar jullie hoeven toch niet te klagen? Ook voor jullie inkomsten uit auteursrechten en dergelijke, de cessie of concessie ervan weliswaar, krijgen jullie toch een mooi voordeel?

Decorte: “Jazeker, maar niet in verhouding tot hoe elke persoon die als consultant een advies schijt vergoed wordt voor de overdracht van hun auteursrechten. Want ook zij zijn inderdaad auteur, nemen creativiteits- en financieringsrisico’s en genieten dus bij de gratie van de rulingcommissie van dit fiscaal regime. De kunsten als sociaal en fiscaal laboratorium. Vul zelf maar in hoe je de kunstenaar als ‘testpersoon’ ziet in deze context.”

Heylen: “De meeste kunstenaars leven onder het minimumloon, onder de armoedegrens. Hun output wordt echter door overheden en bedrijven geclaimd als uithangbord voor een sterk Vlaanderen of een sterk België, een culturele identiteit of als toeristische trekpleister voor Visit Flanders. Er staat helaas geen bedrag op de meerwaarde die cultuur genereert. En die armoedegrens is tevens een taboe.”

“Een groeiend artiest verdient natuurlijk meer dan een beginner. Omdat dit systeem bijzonder hard is, en vooral voor starters, is er zoiets als projectsubsidies: kunstenaars kunnen een project omschrijven en dit dossier indienen bij de overheid. De overheid evalueert met een team van experts dossier per dossier. Ongeveer 7% tot maximum 15% van alle ingediende aanvragen worden gehonoreerd. Dat is bijzonder weinig.”

Onder Jambon I worden 60% van deze projectsubsidies geschrapt. Welk effect heeft dat op het verwachte slaagpercentage?

Heylen: “De slaagkans van een ingediend dossier zou daarmee dalen onder 3% of zelfs 1% naargelang het kanaal, bij hetzelfde aanvraagdebiet. En er wordt geen onderscheid gemaakt tussen dossiers van starters (jonge artiesten) en gevestigde namen.”

Merkx: “Daarnaast wordt er ook geschrapt in de budgetten die rechtstreeks naar de cultuurhuizen en musea gaan: zij moeten 3% tot 6% inleveren. Deze instituten zitten al op hun tandvlees. Door de besparingen van de afgelopen 15 jaar werkt veel intern personeel al 4⁄5 of leveren ze vrijwillig een deel van hun anciënniteit in. De recent aangekondigde besparingen hebben als gevolg dat er ofwel mensen van de vaste ploeg ontslagen zullen worden of dat er nog meer bespaard zal worden op het budget dat rechtstreeks naar de kunstenaars stroomt.”

Decorte: “En dat budget is sowieso al ondermaats: grote gevestigde namen, kunstenaars waar we trots op zijn, krijgen voor hun solo-expo’s in de Vlaamse musea niet meer dan wat zakgeld: een paar honderd euro tot een paar duizend euro honorarium voor het tonen van een oeuvre waar vele tientallen jaren aan gewerkt is. Omgerekend is dat werken aan een hongerloon van om en bij 0,02 eurocent per uur.”

De precaire financiële situatie van vele kunstenaars staat in schril contrast met onze locatie hier in het Paleis der Academiën, tussen allerlei schitterende kunstwerken en luxueuze beelden. Wordt dit ook bedreigd door de aangekondigde besparingen?

Merkx: “Nee, maar het paleis en de beeldhouwwerken in de tuin zijn dan ook erfgoed. Erfgoed kan geconserveerd en onderzocht worden, maar genereert zelf weinig of geen nieuwe output. Zonder nieuwe kunst is er geen cultuursector, enkel erfgoed.”

Maar muzikanten voeren toch vaak eeuwenoude partituren uit. Of denk aan acteurs die Shakespeare opvoeren.

Merkx: “Er is een belangrijk verschil tussen de scheppende kunstenaars en de uitvoerende kunstenaars. Scheppende kunstenaars creëren zelf nieuwe content, terwijl uitvoerende kunstenaars aan die content gestalte proberen te geven. De scriptschrijver schrijft het verhaal, de acteur geeft de neergepende wereld vorm. Scheppende kunstenaars produceren ‘artistieke werken’, uitvoerende kunstenaars leveren ‘artistieke prestaties’.”

Voor nieuwe kunst hebben we dus altijd nieuwe kunstenaars nodig?

Heylen: “Ja, kunstenaars vormen het fundament van de artistieke sector. Het cureren van tentoonstellingen louter en alleen met oude kunst is wel weer een creatieve daad, omdat in het hier en nu meerwaarde gecreëerd wordt. Maar voor al de rest hebben we telkens een nieuwe generatie kunstenaars nodig.”

 

 

Originele artikel in Rekto Verso

(https://www.rektoverso.be/artikel/het-precaire-statuut-van-de-kunstenaar—-)