Standpunt ‘Interdisciplinair onderzoek in Vlaanderen’

21/04/2015 door admin

De Jonge Academie is een groep van jonge wetenschappers uit nagenoeg alle disciplines. Het is dan ook niet verwonderlijk dat interdisciplinair onderzoek (IDO) één van haar kerninteresses is. Al snel na haar oprichting riep de Jonge Academie een commissie Interdisciplinariteit in het leven om na te gaan hoe IDO in Vlaanderen beter gefaciliteerd kan worden. In november 2013 organiseerde zij een debat met alle beleidsverantwoordelijken Onderzoek van de Vlaamse universiteiten. Dat debat vormde begin 2015 samen met een interne bevraging de basis voor een standpunt over interdisciplinair onderzoek.

De Jonge Academie wil niet pleiten voor meer interdisciplinair onderzoek. Wel legt zij in haar standpunt enkele uitdagingen bloot waarmee vooral (jonge) interdisciplinaire onderzoekers te maken krijgen. Zij formuleert bovendien suggesties hoe universitaire overheden en academische stakeholders interdisciplinair onderzoek beter kunnen ondersteunen. Hier sommen we slechts enkele van onze bevindingen en aanbevelingen op. U kunt een papieren versie aanvragen via info@jongeacademie.be of het volledige standpunt hier downloaden: Interdiscip in vlaanderen ST.

IDO is risicovoller dan monodisciplinair onderzoek. De onderzoeker moet zich namelijk op relatief korte tijd in één of meer andere disciplines inwerken en een nieuw gemeenschappelijk jargon helpen ontwikkelen. Resultaten laten daardoor vaak langer op zich wachten. Dat kan een probleem vormen voor jonge onderzoekers, die doorgaans met tijdelijke contracten werken en bij wie de evaluaties elkaar snel opvolgen.

Op postdoctoraal niveau kan IDO beter ondersteund worden door:

– in te zetten op immersie in andere onderzoeksculturen via ‘interdisciplinaire verblijven’ in binnen- en/of buitenland;

– een beter evenwicht te vinden tussen traditionele evaluatiecriteria voor onderzoek (bv. excellentie) en criteria die typisch zijn voor IDO, zoals co-supervisie en de creatie van nieuwe onderzoeksvelden;

– onderzoekers zelf de kans te geven schijnbare ‘vertragingen’ in hun onderzoek te duiden wanneer zij geëvalueerd worden.

 

Onderzoeksmiddelen worden in Vlaanderen doorgaans toegekend op basis van disciplines. Ook de universiteiten zelf zijn sterk disciplinair ingericht, zowel op het vlak van administratie als infrastructuur. Beide aspecten maken het moeilijk om IDO structureel uit te bouwen. De Jonge Academie stelt daarom voor om:

– financieringskanalen aan te bieden die specifiek voor IDO bedoeld zijn;

– vak- en onderzoeksgroepoverschrijdende aanstellingen te vergemakkelijken;

– ontmoetingsmomenten en -plaatsen te creëren voor interdisciplinaire verkenning.

Ook voor de beoordelingscommissies die de onderzoeksmiddelen toekennen, is het niet vanzelfsprekend de toegevoegde waarde van interdisciplinariteit in te schatten. Dat kan verholpen worden door:

– duidelijke richtlijnen op te stellen voor reviewers van interdisciplinaire projecten;

– reviewers zelf te laten aangeven welke deeldomeinen zij effectief kunnen beoordelen;

– rekening te houden met de specifieke noden van IDO-projecten, zoals grotere consortia en budgetten, hogere risicograad en langere aanlooptijd;

– een expertisecel Interdisciplinariteit op te richten die monodisciplinaire commissies inhoudelijk en financieel bijstaat bij de evaluatie van IDO-projecten

 

Tot slot is interdisciplinariteit op het vlak van publicaties vaak een struikelblok. De meeste kwalitatief hoogstaande vaktijdschriften zijn namelijk door de band genomen monodisciplinair. Voor tijdschriften is het niet vanzelfsprekend om experten te vinden die de toegevoegde waarde van interdisciplinariteit kunnen inschatten. De Jonge Academie pleit er daarom voor om:

– thema-uitgaven of thema-reviews aan specifieke IDO-onderwerpen te wijden;

– (meer) onderzoekers met een interdisciplinair profiel in redactieraden op te nemen;

– recensenten specifieke richtlijnen te geven over hoe zij IDO-manuscripten dienen te beoordelen.