Liefste dagboek… van een taalkundige

15/06/2015 door Dorien Van de Mieroop

De leden van de Jonge Academie houden beurtelings een dagboek bij. Elk van hen belicht een ander aspect van het leven van een wetenschapper: het schrijven aan een tekst, peer-review, onderwijs, veldwerk, archiefwerk, enz. Maar behalve wetenschapper, onderzoeker en professor,  zijn de leden van de Jonge Academie ook vriend, collega, moeder, vader, enz. In de dagboeken leest u hoe het leven van een wetenschapper er ècht uitziet. Maandelijks publiceren we een nieuw dagboek.

Size matters, schiet door mijn hoofd. Het is 2 februari 2015 en de eerste dag van mijn onderzoeksverblijf aan het Indian Institute of Management, Indore, India. Wat een taalkundige – die geen Hindi spreekt – hier komt uitspoken, is een vraag die ik in België meermaals voor de voeten geworpen kreeg.  Dus sta ik hier in India al klaar met mijn inmiddels goed gepolijste antwoord, namelijk dat ik onderzoek verricht naar hoe mensen met elkaar praten en hoe ze hun identiteiten via taal construeren en negotiëren; en dat ik met een Indische professor samenwerk om dat te analyseren in gesprekken met carrièrevrouwen in India. Maar hier lijkt er niemand te zijn die dat wil weten. De mensen zijn blijkbaar heel goed ingelicht dat ik kom en dat ik samenwerk met Abha ma’am.

Indore campus

Ik leerde Abha Chatterjee zo’n tien jaar geleden op een conferentie in Italië kennen en het klikte meteen tussen ons,  zowel qua onderzoeksinteresse, als op menselijk vlak. Na eerdere pogingen om samen te werken, pikte ik twee jaar geleden de draad weer op met een duidelijk doel voor ogen: samen een congrespresentatie geven op de tweejaarlijkse pragmatiekconferentie die dat jaar toevallig in Delhi plaatshad. Na de presentatie volgde er een paper en groeide de zin om verder samen te werken. Abha kwam vorig jaar naar België op onderzoeksverblijf in Leuven en nu is het mijn beurt om een tegenbezoek te brengen.

Indore stad

En zo sta ik nu voor de deur van mijn tijdelijke bureau. Abha vertelt me dat ze erg heeft aangedrongen om voor een nieuw en mooi bureau te zorgen dat ik met niemand moet delen, zodat ik ongestoord kan doorwerken. Zodra we binnen staan, blijken haar inspanningen niet voor niets te zijn geweest. De gigantische ruimte, waar gemakkelijk twee bureaus kunnen staan, is zo gloednieuw dat ze nog ruikt naar houtschaafsel en lijm. Maar dus: we staan in het bureau, want een stoel of tafel valt er niet te bespeuren. We kijken elkaar een beetje beteuterd aan, waarna we allebei zo hard in de lach schieten dat het even duurt voor we bekomen zijn. Maar hoe hartelijk Abha hier ook mee moet lachen, daarvan is niets meer te bespeuren eens ze even later in haar – eveneens gigantische – bureau aan de telefoon hangt om dit meubel-euvel te verhelpen. Ook het ontbreken van een telefoon blijkt een immense kwestie te zijn en mijn pogingen om haar te sussen – ‘Ik zal je wel een e-mail sturen’ – zijn vruchteloos. Zeven telefoontjes later komt de belofte dat ik tegen ’s middags meubelen én een telefoon zal hebben, want, zo legt Abha me uit, dan is er genoeg mankracht om het bureau van de ene naar de andere kant van de campus te verzeulen. Ook al is het nog maar februari, toch lijkt het me geen pretje om dat klusje te klaren in de middagwarmte en dus verzeker ik Abha dat er geen haast is. Ik heb immers een reuze-appartement gekregen in het universiteitspension vlakbij en dat heeft, naast een driedelig salon, twee balkons en een degelijke internetverbinding, wel twéé telefoons. Ik zie haar twijfel wanneer ze daarmee instemt, want het concept thuiswerken is hier duidelijk niet in zwang, en ook Mister Rau, de manager van het pension, begrijpt niet waarom ik nu al terug ben. Terwijl ik naar mijn appartement ga, gluur ik even binnen bij mijn buren in het pension: twee mannen die de mini-kamer delen die hun toebedeeld is. Ik prijs me gelukkig met het overschot aan ruimte dat mij toegewezen werd en met de daarbij behorende status, want de correlatie tussen ruimte en prestige is overduidelijk.

Hoewel het appartement heel mooi is ingericht, is het wel behoorlijk donker en nu ik uit de donkere winterdagen in België kom, wil ik de kans niet laten liggen om te genieten van het zalige weer terwijl ik werk. Nadat ik mijn twee balkons aan een kritische vergelijking heb onderworpen – allebei even mooi en even schaduwrijk – besluit ik mijn theetafeltje en een bureaustoel naar buiten te verslepen en daar een werkplek te improviseren. Dat lukt aardig en al gauw ben ik behoorlijk verdiept in de analyses van de interviews die we met de Indische carrièrevrouwen afgenomen hebben. Maar dan wordt er aan mijn deur gebeld. Drie mini-poetsvrouwtjes kijken me aan met een vragende blik in de ogen. Ik laat hen binnen en trek me snel terug op mijn balkon, zodat ze ongestoord hun gang kunnen gaan. Maar al gauw wil een van de dames mijn balkon schoonvegen. Ze kijkt me buitengewoon verbaasd aan als ze mijn bureautje ziet en zodra ze weer binnen is, volgen er wat commentaren in Hindi en komen ook de andere dames even piepen voor ze mijn appartement weer verlaten.

balkon-bureau

Na een fijne lunch van roti’s, panir, rijst en een curry van baby-aubergines, trek ik weer terug naar mijn ‘echte’ bureau in het instituut. En inderdaad, de bureaumeubelen en de telefoon staan netjes klaar. Dus start ik mijn computer op en begin te werken. Helaas, het internet is een stuk minder gewillig dan in het pension en mijn stekker past niet in dit behoorlijk kleine stopcontact.  Dan maar weer naar de overkant van de straat, naar mijn balkon-bureau. Op weg ernaartoe loop ik nog even binnen bij mijn collega die me had opgebeld – hoe kan het ook anders – met de vraag of ik even langskwam. Ze laat me weten dat ik altijd een officiële brief bij me moet hebben om te voorkomen dat een van de talloze security-mensen me het instituut uitgooit. En dus moet die brief, van niet meer dan enkele regels lang, nu ook meteen geproduceerd worden. Ik knik, denkend aan wat getik op de computer en een printopdrachtje, maar dat blijkt wel enigszins anders te verlopen. Eerst moet er weer wat rondgebeld worden, waarna de secretaris verschijnt. Abha dicteert vervolgens de brief aan hem, die hij een kwartiertje later in kladversie komt voorleggen. Abha neemt tijdens die correctieronde haar rode pen en bij de detectie van een fout (‘hear’ in plaats van ‘here’), legt ze hem  op tenenkrommend nadrukkelijke wijze uit waarom die spelling precies verkeerd is in deze context. Vervolgens trekt de secretaris naar Abha’s ladenkast (die overigens binnen haar handbereik staat) en haalt hij wat officieel briefpapier uit haar kast. Dan is hij weer weg, om een vijftal minuten later opnieuw aan te kloppen met de officiële brief. De hele tijd zit ik erbij en kijk ik ernaar.  Zo’n expliciete uiting van hiërarchie zijn wij in het westen niet gewoon en arbeid kost bij ons natuurlijk ook te veel om zoveel personeel te hebben rondlopen. Zelfs tijdens het wachten worden we bediend, want het duurt niet lang of de chai wallah – de theejongen –  verschijnt op Abha’s bureau, met verse gemberthee en heerlijke samosa’s.  Dit lijkt wel een buitenlands verblijf voor foodie’s!

campusbureau

Het gesprek verglijdt bij zoveel lekkers al snel naar wat minder academische zaken. Het prachtige sportcomplex, met zijn gloednieuwe Olympische zwembad, komt al snel ter sprake. Omdat een duik in het water me wel wat lijkt met dit zalige weer, zeg ik dat ik vast van plan ben een van de komende  dagen te gaan zwemmen.  Ik zie meteen de alarmbellen afgaan in Abha’s hoofd en voor ik nog maar iets kan zeggen, hangt ze alweer aan de telefoon met een verantwoordelijke. En vervolgens eentje hoger en dan met de grote baas van het sportcomplex. Gewoon even gaan zwemmen blijkt een illusie te zijn en zelfs een lidmaatschapskaart biedt geen soelaas: ik moet en zal eerst een volledige keuring ondergaan bij een Indische arts voor er nog maar over een eventuele zwembeurt gesproken kan worden. Goh ja, zó graag wil ik nu ook weer niet het water in…

muur met wachttoren rond campus

’s Avonds schieten er veel gedachten door mijn hoofd. In de verte hoor ik het eindeloze getoeter van de auto’s en de geluiden van een tropische stad, maar op de campus – met zijn perfect getrimde grasperken en afgeschermd van de buitenwereld door een muur de Gazastrook waardig, compleet met wachttorens – is alles rustig. Het is een erg beschermde wereld waar status onder andere af te leiden valt uit de grootte van een bureau en waar hiërarchische verschillen zich uiten in expliciete, maar gecultiveerde vorm. Het gaat er wel anders aan toe buiten ‘de muur’, maar dat is voor een andere dag om te verkennen. Nu is het tijd voor een skypebeurt naar huis en wat bijslapen onder de klamboe.

selfie

Dorien Van de Mieroop

Bekijk persoonlijke pagina