Liefste dagboek… van een systeembioloog

15/05/2014 door Lennart Martens

De leden van de Jonge Academie houden beurtelings een dagboek bij. Elk van hen belicht een ander aspect van het leven van een wetenschapper: het schrijven aan een tekst, peer-review, onderwijs, veldwerk, archiefwerk, enz. Maar behalve wetenschapper, onderzoeker en professor,  zijn de leden van de Jonge Academie ook vriend, collega, moeder, vader, enz. In de dagboeken leest u hoe het leven van een wetenschapper er ècht uitziet. Maandelijks publiceren we een nieuw dagboek.

Mijn dag is vandaag goed begonnen.  Ik ben immers niet eens zo heel erg hard uitgescholden door mijn anonieme collega’s. Ze hebben het in hun commentaartekstjes voornamelijk over mijn wel erg gebrekkige schrijfstijl, de taalfouten tegen het Engels, en de chaotische opbouw van mijn onderzoek. Dat is gelukkig allemaal corrigeerbaar – nothing I can’t fix!

Ik heb het ondertussen wel begrepen. Na een tiental jaar mee te draaien in de wondere wereld van de wetenschap is het mij duidelijk: wetenschappers zijn rare beestjes. En van alle bizarre gewoontes die we er op na houden, vind ik nog steeds de zogenaamde peer review de meest merkwaardige. Dit systeem, dat vrij vertaald kan worden als commentaar van je collega’s, is een fundament van de wetenschap, en speelt dan ook een sleutelrol in alles wat we doen.

De bedoeling is simpel genoeg: wanneer je een wetenschappelijk artikel wil publiceren, of een beurs wil aanvragen, moet je je bevindingen of je voorstel eerst laten nakijken door een aantal anonieme collega-wetenschappers. Die mogen dan openhartig commentaar geven op jouw werk of jouw plan, om de geschiktheid en kwaliteit ervan vast te stellen.

De anonimiteit van de commentatoren (de ‘reviewers’) is belangrijk, al is het maar omdat je het anders als jonge wetenschapper niet zou aandurven om een invloedrijke, gevestigde waarde in jouw onderzoeksveld de harde waarheid te vertellen. Wetenschappers zijn immers eerst en vooral mensen, en die kunnen het soms nogal moeilijk hebben met kritiek, zelfs als die terecht is.

Omgekeerd werkt het helaas soms ook: omdat de reviewer anoniem is, wordt er weleens misbruik gemaakt van de rol van commentator om een concurrent voetje te lichten; in extreme gevallen zelfs om eerst voetje te lichten en er daarna met het beschreven idee of inzicht zelf vandoor te gaan. Vandaar dat je, als je een artikel ter publicatie voorlegt, een aantal mensen kan opgeven die je liever niet als reviewer wil.

Je kan je intussen wel voorstellen dat het peer review systeem tot de nodige lelijke streken, ruzies, intriges, en ontgoochelingen kan leiden. Het systeem is echter helemaal niet ontworpen om elkaar de duvel aan te doen, maar eerder om een elementaire kwaliteitscontrole door te voeren, en daarenboven de collectieve wijsheid van verschillende wetenschappers los te laten op het artikel of voorstel in kwestie.

De nuance zit hem in de aard van de kritiek: die kan opbouwend geformuleerd worden, of afbrekend, en dat is een wereld van verschil. Je krijgt immers vaak de kans om verbeteringen door te voeren aan je werk en je tekst, zodat het artikel of plan sterker wordt. Maar als de kritiek die je collega’s op je afvuren enkel afbrekend is, valt er niets te verbeteren; het lijkt dan allemaal ronduit slecht.

Ik heb, net als veel van mijn collega’s, dan ook een regelrechte haat/liefde relatie met peer review. Als het systeem werkt zoals bedoeld, leer je veel bij, en wordt je werk er alleen maar beter van. En zelfs als je werk geweigerd wordt, kan je er dan nog een heleboel van opsteken, en het in de toekomst beter aanpakken. Maar als het systeem misbruikt wordt om je inspanningen of ideeën onterecht als onversneden dwaasheid af te schilderen, hou je er uiteraard enkel maar frustratie aan over.

In het geval van beursaanvragen gelden er trouwens hoe langer hoe meer speciale regels: omdat er altijd veel meer aanvragen zijn dan er budget voorhanden is, en er dus bikkelhard gesnoeid moet worden in de aanvragen, wordt het heel erg belangrijk om alleen maar perfecte evaluaties van je collega’s te krijgen. Het probleem is natuurlijk dat geen enkel projectvoorstel perfect is, en dat toegewijde, oprechte reviewers altijd wel ergens een puntje kunnen aftrekken om te tonen dat ze hun werk grondig gedaan hebben.

Helaas is dat ene (terecht) verloren puntje vaak al genoeg om je buiten de prijzen te laten vallen. Het wordt dan ook belangrijk om reviewers te treffen die het klappen van de zweep kennen, en die enkel maar perfecte scores toekennen (ook al is dat totaal onrealistisch) als ze jouw projectvoorstel een kans willen geven.

Dit is uiteraard geen positieve ontwikkeling, want het ondergraaft de hele bedoeling van het peer review systeem. Er wordt dan ook hard gewerkt aan manieren om dit soort hypercompetitieve situaties te voorkomen, al blijft het voorlopig koffiedik kijken of zulke maatregelen het gewenste effect hebben.

Wetenschappers zijn echt wel rare wezens, bedenk ik, terwijl ik mijn ego aan de kapstok hang en de dames of heren reviewers in mijn antwoord eerst en vooral hartelijk bedank voor hun bijzonder nuttige beledigingen. We hangen plichtbewust steeds opnieuw de vruchten van ons werk en onze ideeën aan de schandpaal, om dan na een paar weken terug te komen kijken wat de (soms niet zo nobele) onbekenden er van hebben heel gelaten. Zo zie je maar: wetenschapper worden is ook een beetje leren afzien.

 

Lennart Martens

LennartMartens

Lennart Martens

Bekijk persoonlijke pagina