Liefste dagboek… van een letterkundige

20/08/2015 door Marianne Van Remoortel

De leden van de Jonge Academie houden beurtelings een dagboek bij. Elk van hen belicht een ander aspect van het leven van een wetenschapper: het schrijven aan een tekst, peer-review, onderwijs, veldwerk, archiefwerk, enz. Maar behalve wetenschapper, onderzoeker en professor,  zijn de leden van de Jonge Academie ook vriend, collega, moeder, vader, enz. In de dagboeken leest u hoe het leven van een wetenschapper er ècht uitziet. Maandelijks publiceren we een nieuw dagboek.

“Le courage, ce n’est pas de se donner à un parti qui menace notre avenir commun. Le courage, ce n’est pas de vouloir le pouvoir à tout prix. Vous faites fausse route, monsieur le premier ministre! … En vous refusant la confiance, le PS est prêt pour une opposition de résistance et d’espoir.”

Het is woensdagochtend 15 oktober 2014 en Laurette Onkelinx is in vorm. Ik heb de televisie aangezet op zoek naar wat hersenloos amusement, maar blijf al snel steken bij Villa Politica, met het live kamerdebat over het regeerakkoord. Nog geen zeventig jaar geleden zou Laurette Onkelinx niet eens mogen stemmen hebben in dit land, laat staan een politieke carrière uitbouwen. Gewoon omdat ze vrouw is. Nu staat ze minutenlang te fulmineren op het spreekgestoelte in het federale parlement. De meerderheidspartijen joelen, sakkeren en brommen, maar de kersverse oppositieleidster gaat onverstoorbaar door.

You go, Laurette, you go girl, supporter ik. Vandaag ben ik je grootste fan. Straks moet ik namelijk zelf in Brussel mijn mannetje staan. Mijn project ‘Agents of Change: Women Editors and Socio-Cultural Transformation in Europe, 1710-1920’ werd geselecteerd voor de tweede ronde van de Starting Grants, het subsidieprogramma van de European Research Council voor beloftevolle onderzoekers aan het begin van hun carrière. Sinds dat heuglijke nieuws me begin juli bereikte, ben ik een vat vol emoties: euforie, omdat ik na een mislukte poging vorig jaar nu wel de kans krijg het project mondeling toe te lichten; opluchting, omdat de talloze uren die ik geïnvesteerd heb in het herschrijven van het eerste voorstel (en dus niet in nieuwe publicaties) niet voor niets zijn geweest; onzekerheid, omdat ik nog altijd niet kan geloven dat panel SH5 Cultures and Cultural Production het herwerkte voorstel goed genoeg vond om me uit te nodigen voor een interview; maar vooral: stress, stress, ontzettend veel stress. Ruim tien jaar geleden deed het vooruitzicht van een mondelinge verdediging me oprecht twijfelen of ik wel wilde doctoreren. Straks sta ik voor een zestienkoppig internationaal expertenpanel waarvan de samenstelling me, op de voorzitter na, volledig onbekend is.

Als mijn trein iets voor vieren Brussel-Noord binnenrijdt, glijdt de imposante glazen ovaal van de Covent Garden-kantoortoren links van me voorbij. Een identiteits- en handtascontrole aan de ingang en een korte aanmeldingsprocedure bij de ERC Executive Agency later zit ik in een ruime wachtzaal op de benedenverdieping. Het is er stil. Twee mannen nemen notities door, een derde wandelt de kamer op en neer. Een vrouw tokkelt afwezig op haar smartphone. Aan de muur hangt een rij A4’tjes met interviewroosters. Ik ben om 17:30 aan de beurt als laatste SH5-kandidaat van de dag. Bij de Koningin Elisabethwedstrijd levert je dat een licht statistisch voordeel op, bedenk ik. Maar wat als mijn jury enkel nog snakt naar avondmaal en bed en geen ene moer meer geeft om mijn project?

IMG_0219[1]

Nadat een Nederlandse onderzoeker naar zijn interview vertrokken is, komt er toch een gesprek op gang. Een van de andere kandidaten blijkt nog in het land van Zwarte Piet gewerkt te hebben en vindt het onbegrijpelijk dat een hele bevolking zich vrolijk achter die openlijk racistische kindertraditie blijft scharen. Ik vertel dat Zwarte Piet ook in mijn vakgroep in België voor verhitte discussies heeft gezorgd met collega’s traumastudies en postkoloniale literatuur. Hoewel ik me kon vinden in hun standpunten, deed de scherpe kritiek van een Britse collega me toch steigeren – alsof alleen de Lage Landen worstelen met een donker koloniaal verleden. Elgin Marbles, anyone? “Als je daar zo heftig op reageert, dan heb je dat verleden duidelijk nog niet verwerkt”, merkt een Brits-Indische kandidate laconiek op. Ik sta met mijn mond vol tanden. Omdat ze een punt heeft natuurlijk. Het is al te gemakkelijk de bal terug te kaatsen. Maar ook omdat ik me plots weer bewust word van waar ik ben. Ik heb me de afgelopen maanden talloze keren voorgesteld hoe het er in de beruchte ERC-wachtzaal aan toe zou gaan, maar kibbelen over Zwarte Piet was daar nooit bij.

Op haast Danteske wijze loopt de tocht naar het interview trouwens langs verschillende kamers. Twee daarvan heb ik al achter de rug. In de eerste heb ik mijn PowerPoint-presentatie samen met achttien papieren kopieën overhandigd aan een medewerker; in de tweede heb ik tot grote verwondering van de medewerker aldaar bevestigd geen aanspraak te willen maken op een onkostenvergoeding. Overnachten hoef ik uiteraard niet en dat treinkaartje van €15,40 leek me de administratieve rompslomp niet waard. Mijn verblijf in de derde kamer, de wachtzaal op de begane grond, eindigt rond 17:00 wanneer nog een andere medewerker (de organisatie is indrukwekkend) mij samen met de overgebleven kandidaten voor de andere panels met de lift meeneemt naar de vierentwintigste verdieping. Daar belanden we in een klein computerlokaal dat vandaag dienst doet als laatste wachtruimte vóór het interview.

Ik ga meteen op zoek naar de toiletten en sluit mezelf op in een van de hokjes. Vorige week stuurde een Amerikaanse collega me een link naar een TED-talkfilmpje over lichaamstaal van sociaal psycholoog Amy Cuddy. “American self-help discourse at its worst”, voegde ze eraan toe, “but perhaps there’s something to what she’s saying”. Volgens Cuddy bepaalt lichaamstaal niet alleen hoe anderen naar ons kijken, maar ook hoe wij onszelf zien. Als je je fysiek klein maakt in stresssituaties (en vooral vrouwen hebben weleens die neiging), dan zorgen de verhoogde cortisolwaarden in je bloed ervoor dat je je ook zo voelt. Toen ik het filmpje deze ochtend bekeek, voelde ik me een beetje betrapt. Die vrouw die ineengedoken op een stoel in de gang zit te wachten tot ze binnen geroepen wordt? Dat was ik twee weken geleden vlak voor mijn proefinterview met vakgroepcollega’s. Cuddy stelt power posing voor en raadt ter voorbereiding van sollicitatiegesprekken “The Performer” aan, genoemd naar Mick Jagger: adem diep in, zet je voeten stevig op de grond, gooi je armen in de lucht en laat de testosteron door je aderen stromen. “Don’t fake it till you make it. Fake it till you become it.” En dat doe ik dan ook, daar in dat wc-hokje hoog in de Covent Garden-toren.

Bijgeloof of sluwe biochemische tactiek, ik besluit niet meer te gaan zitten tot ik aan de beurt ben. Rechtopstaand en met mijn handen in mijn zij (“The Wonder Woman”!) babbel ik met de andere kandidaten over de combinatie werk/privéleven.

AmyCuddy

 

Ik hoor verhalen over dual-career relationships die dapper stand houden over de grenzen van continenten heen, over te hoge huurprijzen, mislukte sollicitaties en uitgestelde kinderwensen. Verbazing alom als ik vertel dat ik twee kinderen heb en werk op minder dan veertig kilometer van mijn geboortestad. Hoewel mijn man en ik het grote geluk hebben te kunnen rekenen op de hulp van ouders en schoonouders, heeft die honkvastheid me al vaak parten gespeeld. Ik blijk de enige onderzoeker in dit wachtzaaltje zonder (uitzicht op) een vaste aanstelling. Natuurlijk heb ik al naar interessante jobs in het buitenland gesolliciteerd, in Nederland en Zwitserland, bijvoorbeeld. Ook Scandinavië hou ik met mijn voorliefde voor Astrid Lindgren en Saga Norén in het vizier. Maar ik moet bekennen dat ik twijfel. Je koffers pakken doe je immers nooit alleen. Mag ik uit professionele ambitie mijn hele gezin ontwortelen en de hechte band tussen mijn kinderen en hun grootouders reduceren tot Skype en een halfjaarlijks bezoekje? Ik weet niet of ik zelf wel wil verhuizen. Ik woon hier graag. Bovendien begin ik na meer dan tien jaar eindelijk een beetje te begrijpen hoe mijn universiteit in elkaar zit. Er is aan mij namelijk geen toppolitica verloren gegaan. Maar feit is wel: als ik binnen het jaar geen andere job vind, sta ik op straat.

Als alweer een andere medewerker haar hoofd om de hoek steekt, is het moment aangebroken om mijn eeuwig twijfelende zelve een ferme schop onder haar kont te geven en ervoor te gaan. Op weg naar het interviewlokaal word ik gebrieft: tien minuten presentatie en geen seconde langer; opgestoken papiertjes geven regelmatig de resterende tijd aan; van slide wisselen doe je met de navigatieknoppen op de pointer; daarna twintig minuten interview in vraag-antwoordstijl; en dat alles met microfoon want de akoestiek is slecht. Na een snelle handdruk met de panelvoorzitster word ik naar mijn plaats naast het projectiescherm geloodst. Ik kijk over de lange tafel de zaal in en word iets vreemds gewaar: hier hangt helemaal niet de kille, intimiderende sfeer die ik verwacht had. Hier heerst een gezellige, rommelige drukte. Panelleden lachen, keuvelen, sippen water of koffie, graven in hun papieren. Vanuit mijn ooghoek zie ik er twee door mijn presentatie bladeren. Ze kijken naar de tweede slide, waaraan ik sinds vorige week zonder overdrijven meer dan twintig uur gewerkt heb. Zodra ik het plan had opgevat, moest en zou ik het uitvoeren.

De voorzitster doet teken dat ik mag beginnen en het wordt stil. Ik stel mezelf kort voor en laat het panel meteen kennismaken met Sophie von La Roche, een Duitse schrijfster uit de achttiende eeuw die niet alleen romans publiceerde maar ook haar eigen tijdschrift had, Pomona. Met pijltjes reconstrueer ik op een kaart van Europa het uitgebreide transnationale netwerk waarvan La Roche en Pomona deel uitmaakten: lezers in alle windrichtingen, materiaal uit Groot-Brittannië, recensies in Frankrijk, een geplande vertaling door twee Nederlandse collega-schrijfsters, steun uit Rusland van niemand minder dan Catharina de Grote, vooraanstaand cultuursponsor en zelf ook ooit tijdschriftredacteur. Dankzij haar tijdschrift reikte de invloed van Sophie von La Roche op het literair-culturele veld tot ver buiten het Duitse taalgebied. “En zoals zij waren er in de achttiende en negentiende eeuw honderden vrouwen”, benadruk ik terwijl ik het knopje voor de volgende slide indruk. Plots vult de kaart van Europa zich met de bijna tweehonderd portretjes die ik met behulp van Google Translate maniakaal bijeengezocht heb op het internet.

ERC slide

De panelleden grinniken. Ik praat mezelf vlot door de voorstelling van mijn team en de concrete uitwerking en fasering van het project. Netjes binnen de voorziene tijd rond ik af met een kort pleidooi voor het belang van mijn onderzoek voor een hele reeks disciplines binnen de humane wetenschappen, van tijdschriftonderzoek zelf tot literatuurgeschiedenis, vrouwenstudies en cultuursociologie. Voelt het zo om je publiek op de hand te krijgen? Ik heb mezelf altijd meer een schrijver dan een spreker gevonden en durf niet te hopen. Van de overtuigingskracht die ik, mede dankzij dat godsgeschenk van een microfoon, aan de dag weet te leggen, sta ik eerlijk gezegd ook een beetje te kijken.

De eerste vraag van het panel is eenvoudig en terecht. Hoe weet ik eigenlijk dat de transnationale tijdschriftnetwerken die ik wil bestuderen echt bestaan hebben? Ik hoor mezelf vertellen over recent onderzoek dat zich door taalbarrières vaak beperkt tot nationale contexten en probeer koortsachtig naar het transnationale netwerkniveau te springen. Maar veel verder dan dat het een kwestie van intuïtie is, dat ik “gewoon weet” dat er meer aan de hand is, raak ik niet. Ik voel dat ik de vastberadenheid van de voorbije tien minuten dreig te verliezen. Plots ben ik maar één doemgedachte meer verwijderd van totale kortsluiting in mijn hoofd. Als ik mezelf nu toelaat te beseffen dat ik het hier en nu helemaal kan verprutsen, dan raak ik ook de uiterlijke kalmte kwijt die ik tot nu toe heb weten te bewaren. Dan stop ik niet alleen met denken, maar ook met praten. Ik zoek houvast door opnieuw naar Sophie von La Roche te verwijzen en vloek binnensmonds. De voorbije twee jaar heb ik ter voorbereiding van mijn projectaanvraag tientallen redactrices en hun tijdschriften bestudeerd en nu ben ik niet in staat één ander voorbeeld te bedenken?

Of mijn visie op netwerken op een bepaalde theoretische leest geschoeid is, wil een ander panellid weten. De naam die ik noem, wordt op een instemmend knikje onthaald. Hij ontbrak in mijn projecttekst, maar dankzij gesprekken met gulle collega’s, die zomaar kostbare tijd vrijmaakten voor feedback, kan ik hem nu toch uit mijn hoed toveren. Ik licht kort toe en ben blij dat ik deze vraag “juist” kan beantwoorden. Pas wanneer iemand polst naar de risico’s van mijn project, realiseer ik me dat dit interview niet over “juist” of “fout” gaat. ERC-panels willen geen gesneden koek. Integendeel, ik moet mijn onzekerheden als troeven uitspelen in plaats van ze te verdoezelen. Ik citeer de titel van mijn project en geef toe dat “verandering” een lastig begrip is. Hoe meet je de impact van een welbepaalde groep op een aantal ingrijpende maatschappelijke en culturele processen, wetende dat je onvermijdelijk selectief moet omspringen met een oneindig complexe realiteit? Ik ben ervan overtuigd dat mijn project een belangrijk stuk van de puzzel kan leggen, maar misschien blijven de veranderingen die ik in kaart hoop te brengen wel grotendeels ongrijpbaar?

Enkele vragen later gebaart de medewerker dat de tijd om is. Een panellid met bedenkingen bij de haalbaarheid van de databank mag zijn vraag niet afmaken. De voorzitster bedankt me en als de medewerker me naar de lift wandelt, kan ik mijn opluchting niet verbergen. “Je hebt vast al veel blije gezichten gezien vandaag”, flap ik eruit, maar haar blik suggereert dat die spontane inschatting misschien niet helemaal correct is.

Ik verlaat het gebouw langs de eerste uitgang die ik tegenkom. Dat blijkt niet de deur waardoor ik binnengekomen ben. Euforisch en gedesoriënteerd sla ik de dichtstbijzijnde tunnel onder de treinsporen in. Zo bereik ik het station met een onvoorziene omweg. Niet via de glimmende kantoorhoogbouw van de Noordwijk, maar langs de levendige smeltkroes aan de overkant van de sporen. Op het perron begin ik meteen berichtjes te sturen naar het thuisfront. Ik voel me vederlicht. Ruim vier maanden lang heb ik deze dag bijna onophoudelijk gevreesd, van afdwaalmomenten in lange vergaderingen tot diep in de grotten van Padirac tijdens de schaarse weken zomerverlof die me anders zo’n deugd doen. Nu is het eindelijk allemaal achter de rug. “En het ging goed!!” “De vragen waren soms tricky, maar ik ben telkens op m’n pootjes terechtgekomen!”

Als ik met de trein even later in de andere richting voorbij de Covent Garden-toren bol, spoel ik achteloos de film van het voorbije uur terug. Plots komt het allemaal terug. De paniek van de eerste vraag, het gestuntel in mijn hoofd, het weifelende antwoord. Was de vreugde die ik zonet naar familie, vrienden en collega’s ge-sms’t heb wel terecht? Heb ik het juiste konijn uit mijn hoed getoverd? Zou ik de laatste, afgebroken vraag wel kunnen beantwoorden hebben? Bewijst mijn opluchting niet vooral hoezeer ik verdrongen heb wat misliep?

Twijfel.

DSC_0328Verkleind

Marianne Van Remoortel

Bekijk persoonlijke pagina