Liefste dagboek… van een farmacoloog

04/11/2014 door Mathieu Vinken

De leden van de Jonge Academie houden beurtelings een dagboek bij. Elk van hen belicht een ander aspect van het leven van een wetenschapper: het schrijven aan een tekst, peer-review, onderwijs, veldwerk, archiefwerk, enz. Maar behalve wetenschapper, onderzoeker en professor,  zijn de leden van de Jonge Academie ook vriend, collega, moeder, vader, enz. In de dagboeken leest u hoe het leven van een wetenschapper er ècht uitziet. Maandelijks publiceren we een nieuw dagboek.

This is it. Hier sta ik dan op de luchthaven van Zaventem, klaar voor een nieuwe stap in mijn jonge carrière. Ik kom hier wel maandelijks eens als ik weer ergens in Europa een vergadering van hooguit enkele dagen dien bij te wonen, maar nu heb ik mijn koffers (39.2 kilo om precies te zijn) gepakt voor 9 weken Brazilië. Anderhalf jaar geleden werd ik voor het eerst gecontacteerd door de Faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit van São Paulo (USP). Men vroeg mij of ik geïnteresseerd was om met hen samen te werken voor wat betreft mijn onderzoek omtrent het aanwenden van communicatiekanaaltjes tussen levercellen als nieuwe doelwitten en biomerkers voor de behandeling en diagnose van leverziekte. Tijdens een kort bezoek aan hen een paar maanden na die uitnodiging bleek al snel dat het zowel op professioneel als op persoonlijk niveau zeer goed klikte. Ons onderzoek bleek perfect complementair te zijn; tal van mogelijkheden voor een samenwerking op langetermijn boden zich aan.

Na zo’n 12 uur vliegen, 2 kwakkele maaltijden, anderhalve film en 3 verbeterde artikels kom ik aan op de internationale luchthaven van São Paulo. Helaas zal ik daar nog een kleine 2 uur kunnen aanschuiven bij de paspoort- en visumcontrole. Brazilië blijkt inderdaad een uitgesproken bureaucratisch land te zijn en dat heb ik de laatste 6 maanden voor mijn vertrek aan den lijve mogen ondervonden. Mijn visumaanvraag bij het Braziliaanse Consulaat in Brussel was een maandenlange uitputtingsstrijd waarbij mijn geduld meermaals serieus op de proef werd gesteld. Ettelijke keren werd ik door een Braziliaanse beambte met een maandagmorgenhumeur terug naar huis gestuurd na uren wachten omdat ik dat ene formulier, dat telkens een ander document bleek te zijn, niet bij had. Het moest ook telkens weer opnieuw verduidelijkt worden dat ik niks maar dan ook niks met voetbal te maken heb en dat ik louter naar São Paulo zou gaan voor onderzoeksdoeleinden. In al mijn naïviteit heb ik daar gesproken over ‘toxicologisch’ onderzoek. Ik had dat beter niet gedaan, want ik werd meteen tot een bijna terroristenstatus verheven …. natuurlijk met het invullen van de nodige extra formulieren tot gevolg. Kort voor mijn vertrek kreeg ik dan uiteindelijk toch mijn visum en dit vooral dankzij het nodige toedoen van de juridische dienst van de VUB.

foto 2

Buiten de luchthaven staan mijn Braziliaanse collega’s mij op te wachten en spontaan vergeet ik alle bureaucratische muizenissen. Wat een hartelijk onthaal en wat een vriendelijke en gastvrije mensen zijn dit toch! Tijdens de rit naar de stad word ik overrompeld met uitnodigingen om de volgende 8 jaar alle Kerstdagen, oudejaarsavonden, mijn en hun verjaardagen, en zelfs die van al hun grootmoeders en de talrijke tantes Fernanda en Maria samen met hen en hun familie te vieren.

Bij het binnenrijden van de stad word ik weer herinnerd aan de grootsheid van São Paulo met de typerende woontorens op zo’n 1500 vierkante kilometer en ruim 22 miljoen inwoners, de zogenaamde Paulista’s. Deze Belgische ‘gringo’ zal de komende tijd verblijven in de Pinheiros wijk, een aangename en veilige buurt niet ver van de USP hoofdcampus. Dat wordt dan ook weerspiegeld in de huurprijzen. Mijn bemeubeld appartement kost er namelijk zo’n 3.000 euro per maand. Aanvankelijk dacht ik dat dit kwam door de gemeenschappelijke fitnessruimte en het zwembad waartoe ik, samen met de andere 200 bewoners van de flashy blauwe woontoren, toegang heb. Dat blijken echter standaardfaciliteiten te zijn in São Paulo. Het zijn vooral de 3 veiligheidsmensen die de klok rond de ingang van het gebouw bewaken die de huurprijs de hoogte in jagen. Mijn Braziliaanse collega’s laten weten dat dit geen overbodige luxe is en wijzen mij er bovendien op dat een ‘favela’ dan toch geen voorgeborchte is, maar wel een buurt die ik ten allen tijde dien te vermijden.

Eenmaal alleen in mijn nieuwe stulpje geniet ik eerst en vooral van de rust, hoewel dat natuurlijk relatief is in zo’n metropool. Mijn lichaam snakt toch naar beweging na de lange reis en het urenlange stilzitten en daarom maak ik meteen gebruik van de fitnessruimte. Het zal een dagelijkse routine worden ‘s morgens om 5 uur in de komende weken: elke dag 10 kilometer op de loopband. Dat is ook nodig om te compenseren voor de calorierijke maar o zo heerlijke Braziliaanse keuken. Ik zal hier ondermeer ook de marathon van São Paulo meelopen, althans deels, want ik zal ondervinden dat intensieve sportbeoefening bij temperaturen boven de 30 graden toch niet zo ideaal is.

foto 1

Na het overwinnen van een jetlag begin ik aan wat het doel is van dit verblijf, namelijk aan wetenschappelijk onderzoek doen. De Braziliaanse onderzoeksgroep beschikt over tal van diermodellen van acute en chronische leveraandoeningen. Het werken met dieren, muizen in dit geval, is nieuw voor mij, doch strikt noodzakelijk voor mijn verdere onderzoek. Mijn hoofdopdracht hier is om deze modellen aan te leren. Ik word daartoe omringd door de beste leermeesters, een team van 4 dierenartsen, maar toch zal de confrontatie mens-dier vaak gepaard gaan met een fysieke aanval van muis op Belgische man en dit tot groot Braziliaans jolijt. Het is vreemd, maar het voelt wel goed aan om terug aan een echte ‘lab bench’ te staan. De laatste jaren is mijn werkterrein binnen de VUB geleidelijk aan verschoven van het laboratorium naar mijn bureau. Dat blijkt een normale evolutie te zijn bij het klimmen op de academische ladder, maar toch mis ik het praktische werk. Mijn verblijven aan de USP zijn dan ook een fijne afwisseling van de vele uren in mijn VUB bureau waar ik een zoveelste projectvoorstel schrijf. Ik ben in dat verband onder de indruk van de USP laboratoriuminfrastructuur en de veelheid aan dure onderzoekstoestellen die er beschikbaar zijn. Dit hoeft niet onder te doen voor Europese of Noord-Amerikaanse laboratoria, integendeel zelfs. Ik kom hier te weten dat er wegens een politieke wissel enkele jaren geleden veel geld is vrijgekomen voor wetenschappelijk onderzoek. Van crisis is hier dus geen sprake en ik kan dat alleen maar toejuichen.

Iedere morgen bij het aankomen op het laboratorium worden we er aan herinnerd dat het hier gaat over de Faculteit Diergeneeskunde en niet de Faculteit Geneeskunde en Farmacie zoals we in Brussel gewoon zijn. Inderdaad staan de patiënten reeds van ’s morgens vroeg in rijen aan de ingang van het ziekenhuis te wachten. Die patiënten zijn zeer divers en gaan van honden en katten tot de kleurrijkste vogels en de engste slangen. Anatomie van dieren alsook pathologisch onderzoek zijn er belangrijke aspecten in de opleiding van de toekomstige dierenartsen. Ik ben er dan ook ongewild getuige geweest van de necropsie van de meest exotische dieren waaronder een leeuw, een anaconda en een olifant. Dat doet mij trouwens denken aan mijn eerste bezoek aan het universitaire ziekenhuis van de USP. Om een duidelijk translationeel element toe te voegen aan ons onderzoek willen we graag leverstalen van patiënten die lijden aan leverziekte onderzoeken. We moesten daarom samen zitten met een team van artsen om de onderzoeksstrategie te bespreken. Als deel daarvan worden leversegmenten verkregen van recent overleden patiënten. Het woord was nog maar uitgesproken of ik bevond me al in de autopsieruimte waar mij ‘live’ gedemonstreerd werd hoe die stalen genomen worden. Nu ben ik in het algemeen wel redelijk resistent tegen zo’n niet alledaagse en onappetijtelijke aanzichten, maar hier heb ik toch wat moeite gehad om mijn Braziliaanse spaghetti, een half uur daarvoor genuttigd, binnen te houden. Bovendien schrok ik mij ‘dood’, en dit met de nodige theatrale en nogal oestrogene gesten, toen een andere overleden patiënt dan ook nog eens spierspasmen vertoonde. Tot zo ver dus mijn Belgische mannelijkheid  …

foto 4

Naast onderzoek word mij gevraagd om deel te nemen aan verschillende onderwijsactiviteiten binnen de USP. Bij aanvang van mijn eerste les aan de tweedejaarsstudenten Diergeneeskunde liet de Decaan mij daaromtrent weten dat in het beste geval 50% van de studenten 60% van wat ik zou vertellen zal begrijpen. Hoewel de Braziliaanse collega’s mij er reeds op wezen dat ‘mijn’ West-Vlaams verdacht veel op Portugees lijkt, geef ik er toch maar les in het Engels. Dat is niet evident voor Brazilianen en dat merk ik ook aan de verbaasde gezichten wanneer ‘professor Mathieu’, zoals ze mij noemen, hen ‘the basics of toxicology’ tracht uit te leggen. De taalbarrière is minder aanwezig tijdens de postgraduaatlessen die ik op zaterdagmorgen geef aan de dierenartsen-specialisten en het wordt gewaardeerd als ik mijn lessen steevast met ‘obrigado’ eindig. Toen men mij aanvankelijk vroeg of ik die lessen voor mijn rekening wou nemen en men liet weten dat deze tijdens het weekend georganiseerd worden, zei ik : ‘No problem, as long as I don’t have to start teaching at 7.00 am’. Daarop kwam het verrassende antwoord: ‘Of course not, we would never do that to you. The lessons start at 7.30 am’ … en ik die dacht dat het een grap was. Eén van die lessen werd georganiseerd in het kader van een nationaal congres. Het publiek was daarbij aanzienlijk talrijker en ik kwam voor het eerst in contact met het fenomeen van de simultane vertaling. Een vreemde ervaring om voor een zaal van zo’n 500 man te staan die allemaal een gigantische knalrode en bijna buitenaardse koptelefoon op hun hoofd hebben. Aan de start van mijn presentatie zeg ik dan ook ludiek : ‘I come from planet Belgium and I come in peace’. Mijn humor bleek echter niet zo goed gesnapt te worden ofwel hebben de tolken mij een loer gedraaid. De presentatie zelf was gelukkig wel een succes.

Mijn eerste verblijf in São Paulo loopt op zijn einde. We hebben hard gewerkt en dat heeft vele resultaten opgeleverd. Het leveronderzoek, alsook de Belgisch-Braziliaanse samenwerking, lijken een succes te worden. De talrijke gegevens die we verzameld hebben staven de wetenschappelijke hypothese die we vooropgesteld hadden en zullen de basis vormen voor een eerste artikel van mijn doctoraatstudent. Ik ben daar zeer blij over want zo’n promotorschap brengt de nodige stress en druk met zich mee. Tijdens de allerlaatste week krijg ik heel goed nieuws van het Belgische front. Mijn 2 projectsvoorstellen die ik als promotor ingediend had bij het FWO worden namelijk integraal gehonoreerd. Het meest verrassende nieuws komt echter de dag nadien aan Braziliaanse zijde. Er wordt mij een ‘São Paulo Excellence Chair’ toegekend van de ‘Fundação de Amparo à Pesquisa do Estado de São Paulo’, de Braziliaanse tegenhanger van het FWO. Dit zal mij financieel in staan stellen om mijn eigen zeskoppig team op te zetten binnen de USP en diverse apparatuur aan te kopen. Wat een afsluiter! Ik keer vol enthousiasme terug naar het koude België, maar ik kijk alvast enorm uit naar mijn volgende verblijf aan de USP dat reeds binnen enkele maanden gepland is. Viva Brasil!

foto 7