Liefste dagboek… van een bio-ingenieur

24/03/2015 door Tina Kyndt

De leden van de Jonge Academie houden beurtelings een dagboek bij. Elk van hen belicht een ander aspect van het leven van een wetenschapper: het schrijven aan een tekst, peer-review, onderwijs, veldwerk, archiefwerk, enz. Maar behalve wetenschapper, onderzoeker en professor,  zijn de leden van de Jonge Academie ook vriend, collega, moeder, vader, enz. In de dagboeken leest u hoe het leven van een wetenschapper er ècht uitziet. Maandelijks publiceren we een nieuw dagboek.

De wereld mijn dorp.

Van Afrika tot in Amerika, vanop de Himalaya tot in de woestijn. Mijn dochter huppelt al bij het ochtendgloren vrolijk rond op de tonen van één van K3’s grootste hits. Ik heb zoals gewoonlijk wat meer moeite om wakker te worden, maar na een boterhammetje met choco en vooral een sterke kop koffie gaat het al wat beter en vertrek ik te voet naar mijn werkplek in het hart van Gent. Te voet, inderdaad; een enorme luxe! Terwijl mijn echtgenoot twee keer per dag urenlang de files op de Brusselse ring trotseert, doe ik er welgeteld acht minuten over om van bij mij thuis naar de campus Bio-ingenieurswetenschappen van de UGent te wandelen.

Een ander voordeel van dit trage reistempo is dat ik ongegeneerd passanten kan bekijken. In de hoofdstad van Oost-Vlaanderen is namelijk niet alleen een grote horde West-Vlamingen aangespoeld (waaronder mezelf, ik ‘heef’ het toe), maar wonen ook mensen met meer dan 100 verschillende nationaliteiten. De aanwezigheid van de academische ‘community’ van de Gentse universiteit zal daar niet vreemd aan zijn. Mijn vakgroep alleen al heeft meer dan 10 verschillende nationaliteiten in haar rangen. Mijn collega’s komen behalve uit Vlaanderen ook uit Bangladesh, Oekraïne, Vietnam, Thailand, Peru, UK, China, Ethiopië, Kenia, Polen en Nederland.  Onze multiculturaliteit blijkt zelfs in één oogopslag: van zodra je onze afdeling binnen wandelt, zie je het grote fotobord in de gang. En dat is meer dan ooit veelkleurig, in een bonte mix van nationaliteiten, hoofddoeken en andere verschillen. Daarbij  verspreidt zich af en toe een zeer bizarre geur uit de microgolfoven, en is onze standaard-communicatietaal het bijzonder praktische ‘English with hair on’.

zieke rijstplanten

Binnen de onderzoeksgroep bestuderen we de interactie tussen planten en aaltjes. Aaltjes zijn microscopisch kleine wormpjes die in de bodem voorkomen, en ondanks het feit dat niemand ze ziet, veroorzaken ze heel wat oogstverliezen in de landbouw. Wij proberen één van de belangrijkste tropische gewassen in de wereld, namelijk de rijstplant, beter te beschermen tegen deze parasieten door het opkrikken van het natuurlijk afweersysteem van deze plant. Vandaag ga ik in het laboratorium aaltjes opzuiveren uit onze kweek en hun genetisch materiaal extraheren. Aaltjes zijn echte Bourgondiërs. Ze kunnen enkel gekweekt worden op levende planten. Alles wat er enigszins onappetijtelijk, beschimmeld, laat staan dood uitziet, willen ze niet opeten. En daar kan je ze dus ook niet op kweken. Gisteren heb ik een paar uur met mijn handen in potgrond gewroet om geïnfecteerde rijst-wortels uit onze permanente kweek op te graven – de gevolgen zijn nog steeds zichtbaar aan de mooie rouwrandjes rond mijn nagels – en samen met wat aarde heb ik die op een grote metalen zeef gelegd. Vannacht zijn de aaltjes uit de wortels door de zeef gekropen en de resulterende smurrie van kleine aardedeeltjes en aaltjes moet nu gewassen worden om propere beestjes te bekomen.  Onze postdoc uit Vietnam komt het laboratorium binnen, ziet mijn smurrie en roept me in het passeren behulpzaam toe: ‘You better oes taitsjoe’. Ik ben ondertussen wel wat gewoon qua Engelse uitspraak, maar dit begrijp ik echt niet. Wat kan ik best gebruiken? Wat is ‘taitsjoe’ in godsnaam? Verwoed overloop ik in mijn hoofd alle technieken, apparatuur en methodes die we in ons labo ter beschikking hebben. PCR, spectrophotometer, real-time, nanodrop, phosphorimager… wat klinkt – naast een Oosterse gevechtstechniek – als ‘taitsjoe’? Na een kwartiertje piekeren, besluit ik mijn collega gewoon te vragen om me die taitsjoe-methode even snel te demonstreren. Lichtjes beschaamd sta ik even later toe te kijken terwijl hij naar een doos tissues loopt, er één zakdoekje uithaalt, en mijn oplossing doorheen de tissue filtert. De aarde-deeltjes kleven nu aan de ‘taitsjoe’, terwijl de aaltjes schoon en wel doorheen de gaatjes van de geïmproviseerde filter gelopen zijn. Klaar om DNA uit te extraheren en hun genen te bestuderen.

Dergelijke dingen overkomen mij, en mijn Belgische collega’s, wel vaker. De down-to-earth mentaliteit van mijn internationale collega’s zet me regelmatig terug met beide voeten op de grond. Gesofisticeerde technieken en ‘high throughput’ methodes bieden niet altijd een oplossing voor een simpel probleem.

roosgekleurdenematode in een rijstwortel

Na het afwerken van de DNA-extractie heb ik in de namiddag  een overleg met een nieuwe doctoraatsstudente uit Bangladesh. Na een tweetal maanden experimenteel werk gaan we overlopen wat ze al bereikt heeft. Bij het voorstellen van haar eerste resultaten merk ik dat er iets schort en na wat aandringen vertelt ze me dat ze zwaar ontgoocheld is in de resultaten die ze bekomen heeft. De hypothese, die we samen hadden opgesteld en die in haar goedgekeurd onderzoeksvoorstel centraal stond, blijkt namelijk helemaal niet bevestigd te worden door haar data. Integendeel. Tot haar grote verbazing ben ik echter niet teleurgesteld, maar zit ik vol enthousiasme te glunderen op mijn stoel. Op basis van haar resultaten ontspint zich namelijk in mijn hoofd een alternatieve hypothese die nog fascinerender blijkt dan onze eerste stelling. Succes in wetenschap is namelijk niet ‘het bewijzen van je hypothese’, maar ‘het ontrafelen van de waarheid’. En hoe onverwachter die waarheid is, hoe meer ik gefascineerd raak. Met veel geduld slaag ik erin om mijn studente te overtuigen van mijn vreugde.

 

Sneller dan verwacht blijkt het alweer kwart over vijf en moet ik vertrekken. Via het voetgangersbrugje spurt ik de Coupure over, om net op tijd mijn twee biologische wondertjes af te halen op school. Met wijd open armen komen ze op mij afgerend en wissen ze alle mogelijke wetenschappelijke problemen en nieuwe hypotheses kortstondig uit mijn hoofd. Terwijl ik thuis snel een maaltijd in mekaar flans – sorry, juf Kathleen, op weekdagen heb ik echt geen tijd om die 4 jaar kookles in de praktijk te brengen – mogen ze even op de televisie naar Diego kijken. ‘To the rescue my friends’ hoor ik ze zingen, terwijl Diego de Monarchvlinder van de ondergang redt. Naast Engels heeft ook de Monarchvlinder vanaf nu geen geheimen meer voor mijn kleine Gentenaartjes, besef ik. Ikzelf moet eerlijk toegeven dat ik deze vlinder niet zo goed ken, maar een snelle search op Wikipedia leert me dat deze migrerende vlinder tijdens zijn leven afstanden tot 4500 kilometer aflegt. Een beetje zoals mijn internationale collega’s/stadsgenoten /vrienden, dus. De academische  wereldstad hier in Gent – en ongetwijfeld in vele andere universiteitssteden over heel de wereld – levert hen een hopelijk warme, maar zeker en vast een leerrijke, nieuwe thuis voor enkele jaren. Daarna vliegen ze weer uit, terug naar hun thuisland, of misschien wel op naar andere verre oorden.

Tina Kyndt (2)