Liefste dagboek… van een historicus.

13/02/2014 door Jelle Haemers

De leden van de Jonge Academie houden beurtelings een dagboek bij. Elk van hen belicht een ander aspect van het leven van een wetenschapper: het schrijven aan een tekst, peer-review, onderwijs, veldwerk, archiefwerk, enz. Maar behalve wetenschapper, onderzoeker en professor,  zijn de leden van de Jonge Academie ook vriend, collega, moeder, vader, enz. In de dagboeken leest u hoe het leven van een wetenschapper er ècht uitziet. Maandelijks publiceren we een nieuw dagboek.

 

 

“Hoerenzoon!” Ze schelden er weer op los, die middeleeuwers. We schrijven 6 april 1477. Een ruzie tussen twee Mechelaars is uit de hand gelopen. Waarom het tot een woordenwisseling kwam tussen Jan De Wilde en Hendrik Schoonhoven is moeilijk te achterhalen, maar de afloop is duidelijk. Na het gekibbel volgde een handgemeen. En na het gevecht een rechtszaak, want Hendrik was gewond geraakt.

Tijdens het proces schold Jan de rechter de huid vol. Volgens hem was de rechter partijdig, en de ‘zoon van een hoer’ (‘hoerezuene in het middelnederlands). Het deed Jans zaak natuurlijk  geen goed. Hij werd veroordeeld tot een boete, en een bedevaart naar Rome. Iemand verplichten om een bedevaart te ondernemen, was een veel voorkomende straf in de middeleeuwen om heethoofden af te koelen. Zo’n bedevaart had niet alleen de bedoeling de pelgrim tot inkeer te brengen. Ook was de veroordeelde enkele weken de stad uit. En kon de rust terugkeren.

 

536 jaar en enkele maanden later, op 22 augustus 2013, lees ik met een glimlach het aandoenlijke relaas van Jan De Wilde. Op de zolder van het stadsarchief van Mechelen, rechtover de Dossinkazerne. Eenzaam snuister ik er de hele dag in de stoffige, maar gezellige leeskamer op de zolderverdieping van het stadsarchief in middeleeuwse documenten. In het bijzonder doorploeg ik het ‘Correctieboek’. Dat register bevat de vonnissen voor bestrafte inwoners, en dus verwacht ik er scheldwoorden aan te treffen. En jawel, na enig speurwerk vind ik er het verhaal over Jan De Wilde, in het bijna onleesbare handschrift uit die tijd. Gelukkig ben ik op het vlak van oude handschriften niet aan mijn proefstuk toe, en weet ik het te ontcijferen.

 

Al meer dan tien jaar zit ik in dit vak, van historicus. Oude manuscripten ontraadselen, en het gedrag van onze middeleeuwse medemens onderzoeken en verklaren, is mijn hobby en uiteindelijk ook mijn job geworden. Al van jongs af aan was ik geboeid door geschiedenis. In het bijzonder de leefwereld van de oude Egyptenaren: waarom bouwden ze die gigantische piramides? En hoe?

De middeleeuwen leken me toen saai. Pas tijdens mijn studies aan de universiteit raakte ik erin geïnteresseerd. Dichter bij huis bleek een even fascinerende, maar uitgestorven wereld te hebben bestaan. Vol mensen die vochten, liefhadden, of overkookten van emotie. Geen piramides weliswaar, maar kathedralen, kastelen en imposante steden die massaal verrezen toen uit ons sompige land. Wie waren de mensen die ze bouwden, bezochten, en bewoonden? Wat dachten ze? En waarom? Die vragen stel ik me nog elke dag.

Vandaag Mechelen dus. Een collega is van plan een nieuw boek over de middeleeuwse geschiedenis van de Dijlestad samen te stellen, en vroeg of ik wou meewerken. Met plezier! Meer bepaald het stuk over de politieke geschiedenis van de Mechelaar zal ik schrijven. Hoe werd de stad vijfhonderd jaar geleden bestuurd, en wat dachten de gewone man en vrouw erover? Traditioneel gaan historici ervan uit dat gewone mensen eerder volgzaam waren, maar met mijn zoektocht hoop ik het tegendeel aan te tonen. Mensen die van de macht uitgesloten waren, hebben de geschiedenis allicht veel intenser beïnvloed dan algemeen wordt aangenomen. Met alledaags verzet, zoals het gebruik van scheldwoorden, hebben zij kritiek geuit en gezagsdragers met eigen ideeën geconfronteerd. Meer dan ‘machteloze’ mensen denken, kunnen zij het beleid beïnvloeden, blijkt steeds meer uit mijn onderzoek.

Maar hoe kan je zoiets nagaan? Het is een moeilijke zoektocht, ook in Mechelen. Want de ‘gewone’ Mechelaar heeft geen geschriften – laat staan een dagboek – nagelaten. Zij waren te arm, te ongeletterd, en hadden niet de gewoonte om over zichzelf te schrijven. Daarom reken ik op het vonnisboek van de schepenbank. Het bevat getuigenissen en soms zelfs letterlijke citaten van veroordeelden aan de rand van de samenleving. Die bieden een unieke inkijk in hun leef- en denkwereld.

DSCN2278

Het is niet de gouden oplossing, helaas. Tijdens de lectuur stel ik me veel vragen. Ik lees dat Jan De Wilde zich hevig verzette tegen zijn vonnis. Blijkbaar aanvaardde hij het verdict niet, en richtte hij zijn pijlen dan maar op de rechter. Maar waarom ging hij meteen schelden? Zag hij niet in dat hij het zichzelf alleen maar moeilijker maakte?

Op het eerste zicht lijkt het verhaal van Jan De Wilde het cliché te bevestigen van de ‘onbeschaafde middeleeuwen’, een tijd waarin ruwe vechtersbazen elkaar voortdurend bekampten en de huid vol scholden. Maar zelf vecht ik al jaren tegen dat beeld. De middeleeuwse maatschappij was immers veel kunstzinniger dan gedacht, maar ook veel geraffineerder. Uiteraard werd er gevochten. Tussen mensen onderling, maar ook tussen de inwoners van steden en de overheid. Precies dat soort van politieke conflicten onderzocht ik in de laatste jaren van mijn opleiding geschiedenis en erna, toen me gevraagd werd om dat onderzoek aan de universiteit verder te zetten. Het was hard werk, maar leverde resultaten op. Ik besloot dat vele van deze conflicten niet louter het gevolg waren van verhitte emoties, maar dieperliggende oorzaken hadden. Wanbestuur van steden bijvoorbeeld kon steevast op protest van inwoners rekenen. Zij verdedigden voortdurend hun rechten, en konden niet verkroppen dat bijvoorbeeld rechters partijdige vonnissen uitspraken. Maar zomaar de ander uitschelden of kwetsen, dat is eerder ongebruikelijk. Wat dus met Jan De Wilde? Wat is de diepere oorzaak van zijn felle gedrag?

Ik probeer een antwoord te vinden in de Mechelse documenten, een bezigheid waar ik nog maar zelden tijd voor heb. Colleges geven, taken en examens verbeteren, eindeloos vergaderen met collega’s over de finesses van de opleiding geschiedenis, de gesel van administratie en nutteloze formulieren, … Ik ben allicht niet de enige die er soms eens de moed bij verliest. Gelukkig kan ik nog artikels schrijven, occasioneel eens een lezing geven, en studenten en medewerkers begeleiden. Misschien is dat nog het leukste aan mijn job: jongeren bijstaan in hun studie, hen helpen, en telkens weer vaststellen hoe ze met noeste arbeid en denkwerk meer resultaten bereiken dan ze op voorhand hadden gedacht. Het blijft een fijne uitdaging, maar de keerzijde van de medaille is dat ik amper nog tijd heb voor ‘veldwerk’. Dat zeldzame speurwerk geeft zijn geheimen ondertussen nog steeds niet prijs. Integendeel. Niet enkel Jan De Wilde, maar ook talrijke stadsgenoten schelden het stadsbestuur de huid vol. Dief! Schelm! Bastaard! Ene Klaas de Mol roept in 1448 tegendiezelfde rechter: “Ic zie wel, wij moeten hier gheten ende ghescheten zijn”. Over die uitspraak denk ik lang na, want echt duidelijk is het niet. Brabants dialect uit die tijd, maar bedoelde Klaas dat hij figuurlijk door de rechters opgegeten is? En dat hij als een stuk stront ‘uitgescheten’ en behandeld werd?

De tirade toont aan dat verzet tegen rechtspraak legio was in de middeleeuwen, maar naar een verklaring voor het ‘wangedrag’ van de beschuldigden is het zoeken. Het valt op dat Jan De Wilde en co. vooral het morele gedrag van de rechters op de korrel namen. Duidelijk om hun autoriteit in vraag te stellen, vermoed ik. Als je een rechter een dief noemt, wens je toch zijn eerbaarheid aan te tasten? Maar waarom koos Jan De Wilde – en hij niet alleen – voor ‘hoerenzoon’ als scheldwoord? Het is duidelijk één van de populairste scheldwoorden in het toenmalige Mechelen.

DSCN2272

 

Ik besluit een ommetje in de stad te maken. Een speurhond moet af en toe eens luchten. Op deze mooie zomerdag is het zalig boterhammen eten in het middeleeuwse begijnhof (waar anders?). Gebeten als ik ben, ontaardt de wandeling al snel in een zoektocht naar middeleeuwse overblijfselen. Niet zozeer de kathedraal of het stadhuis zoek ik op, maar de plekken waar de ‘gewone’ Mechelaar leefde. De stad was vroeger een textielreus, en vooral langs de Dijle tref ik nog overblijfselen van middeleeuwse huizen aan waarin handelaars leefden. Ik ontdek marktpleinen en arbeiderswijken. Hier leefden en werkten Jan met de pet, Jan De Wilde en Klaas de Mol. Van hun huizen rest niets meer – lelijke nieuwbouw heeft zich er genesteld. Dat is normaal, want middelen om zich een stenen huis te permitteren, hadden textielarbeiders niet. Vandaar misschien ook dat zij rechters als ‘dieven’ bestempelden, bedenk ik me al wandelend, want met de opbrengst van boetes konden steden het stadscentrum opfleuren met mooie pleinen, statige lanen en de nog aanwezige monumenten. Maar dat waren natuurlijk die wijken waar voornamelijk de rijkere Mechelaars leefden: het stadscentrum. In de arbeiderswijken is er vandaag bijgevolg minder over hun bestaan te bespeuren. Interessant toch, hoe middeleeuwse straat- en bouwpatronen nog steeds de hedendaagse stad vorm geven.

 

Terug op de zolder. Uren boeken en archiefstukken lezen. Historisch onderzoek is bijwijlen eentonig seriewerk… Ik leg alles vast. Op foto, om later nog iets op te zoeken. Of overtypend op de laptop, indien een vluchtige notitie nog een scheldwoord oplevert. Cijfermateriaal in tabelletjes gieten en rangschikken zal voor thuis zijn. Dat onontkoombare lange ‘rangeerwerk’ stel ik uit tot de daaropvolgende dagen. Of weken, vermoed ik, want er is nog een congres in Edinburgh eind augustus en natuurlijk de herexamens. Het kan dus nog even wachten. Pas op 5 december volgt het discussieforum met alle auteurs van het boek in het Belgisch Historisch Instituut te Rome, dat de centrale ontmoetingsplek is voor wetenschappers wereldwijd. Historisch onderzoek, ook naar Mechelen, gebeurt immers heel internationaal. In Rome zullen we onze bijdragen door buitenlandse experten laten nalezen en corrigeren. Het zal ons helpen om na te gaan hoe uniek Mechelen in het laatmiddeleeuwse Europa was. Er is maar één groot minpunt: op Sinterklaas zal ik niet thuis zijn. En zo zal ik  het jaarlijkse opgewonden animo van de kinderen dus moeten missen. Maar ik koop op congres zeker wat lekkers voor hen. De Sint zal dit jaar uit Rome komen…

Een andere ontgoocheling aan het internationale opzet van het boek over Mechelen is er voor de hedendaagse Jan De Wilde. Aan de stadsarchivaris die me opzoekt aan mijn werktafel – en die nieuwsgierig wenst te weten waarom iemand zijn middeleeuws archief uitpluist – leg ik uit dat de voertaal van het boek het Engels zijn. Aangezien onze universiteiten (terecht) zweren bij internationaal onderzoek, publiceren we steeds vaker in die lingua franca van de hedendaagse wetenschap. Ik val hem bij wanneer hij opmerkt dat dit jammer is voor de eenentwintigste-eeuwse Mechelaar die zich interesseert in de geschiedenis van zijn stad, want hij/zij zal het boek dus in het Engels moeten lezen. Geld om het boek naar het Nederlands te vertalen, zal er niet zijn, moet ik de stadsarchivaris tot zijn teleurstelling melden. Evenmin heb ik tijd om zelf een stuk in het lokale heemkundige tijdschrift te schrijven. Nog een nadeel aan onze job.

DSCN2324

Ondertussen zit ook mijn tijd in het archief erop. Ik loop nog even een winkel binnen voor  wat Mechelse koekjes voor het thuisfront, en haast me dan naar de trein (want die zijn nooit te laat als het moet). Moe, maar voldaan van de vondsten, spoor ik terug, en begin in één van de vele verhandelingen van studenten die ik als promotor moet nalezen. En dan begint het me te dagen. ‘Dief’ verwijst naar de grijpgrage rechter, ‘Schelm’ naar vermeende corruptie, en ‘hoerenzoon’… naar zijn afkomst. Rechters, schepenen en andere gezagsdragers in Mechelen waren vanouds, en zoals elders in de middeleeuwen, van nobele afkomst. Rijke families bestuurden soms generaties lang steden en hoven. Als je bijgevolg iemand als ‘bastaard’ of ‘hoerenzoon’ uitscheldt, stel je eigenlijk zijn afstamming, en bijgevolg ook zijn maatschappelijke positie in vraag. Want hij zou dus volgens de aantijging geen volbloed lid van de familie zijn, maar een kind van gekochte liefde. ‘Jan De Wilde koos dus doelgericht een scheldwoord dat de autoriteit van de rechter in vraag stelde’, schrijf ik snel op het schutblad van de verhandeling die voor me ligt. ‘Niet zozeer focuste hij op het vermeende losbandige gedrag van de vader van de rechter om die vader in diskrediet te brengen’. En nog: ‘Wel ondergroef hij de legitimiteit van de rechter om die functie uit te oefenen, en dus om anderen te veroordelen’. De losse gedachten orden ik thuis wel, denk ik opgelucht terwijl de trein Gent nadert. Want ik heb Jan De Wilde door. Ook hij was dus niet zozeer een naïeve middeleeuwer die erop los foeterde. In zijn scheldwoord zat een soort van verzet, een politieke boodschap, misschien zelfs maatschappijkritiek. Benieuwd wat de collega’s in Rome hiervan zullen denken.

Eenmaal thuis wacht mij, als steeds, de mailbox – nog zo’n tijdrovende bezigheid. Daags voordien hebben enkele jonge collega’s van de Gentse universiteit met een open brief en petitie in de krant geklaagd over de werkdruk van het academische onderwijs. Ik had de petitie meteen ondertekend, en verwacht vele e-mails van de Jonge Academie de komende dagen om deze zaak te bespreken. Maar veel tijd om te reageren krijg ik niet. Robin en Niels esien mijn aandacht op van zodra ze thuis zijn. Gejuich bij de koekjes. En ook zij willen nog eens luchten. Na het snelle avonddiner gaan we met ons vieren wandelen. Zal ik mijn kinderen vertellen wat ik allemaal gelezen heb vandaag?

SelfieJelleHaemers

Historicus Jelle Haemers van de Universiteit Leuven