103 vrouwen op 141 prof-aanstellingen? Klopt niet

13/02/2019 door admin

In De Morgen en HLN (11 februari) lazen we dat in 2017 en 2018 het grootste deel van de vacatures naar vrouwen ging (103 op 141). Dat klopt niet. We leggen hier uit waarom.

De cijfers in De Morgen en HLN
Op de voorpagina van De Morgen van 11 februari 2019 (“De prof is nog altijd te vaak een man”) staat:

In 2010 was 20 procent van de professoren een vrouw. In 1996 lag dat zelfs maar rond de 12 procent. De instroom van nieuwe proffen toont dat vrouwen de achterstand wel inlopen. In 2017 en 2018 ging het grootste deel van de vacatures naar vrouwen (103 op 141). In de twee jaar daarvoor was de verhouding nog omgekeerd (184 nieuwe mannelijke proffen tegenover 112 vrouwen).

Hetzelfde staat in het online artikel Waarom proffen meestal mannen zijn: “Een man is geniaal, een vrouw werkt gewoon hard” van De Morgen. Het Laatste Nieuws zette de verrassende cijfers zelfs in de krantenkop: 103 vrouwelijke proffen erbij, tegenover 38 mannen.

Dat er 103 van de 141 vacatures naar vrouwen gingen, klopt niet.
De cijfers van de VLIR (personeelsstatistieken 2018) tonen het aantal FullTime-Equivalents (FTE) van alle professoren aan Vlaamse universiteiten in elk jaar. Uit de cijfers is af te leiden dat het netto verschil van het aantal vrouwelijke (FTE) professoren tussen 2018 en 2016, precies 103 bedraagt. Voor mannelijke (FTE) professoren is het verschil 38. Het aantal vrouwelijke professoren ligt dus in 2018 precies 103 FTE hoger dan in 2016, en dat terwijl het totaal aantal professoren toegenomen is met 141. Dit netto verschil is een verschil van het aantal nieuw aangestelde professor-FTE’s en het aantal pensioneringen en andere uitstromers, uitgedrukt in voltijds-equivalenten. Cijfers over het aantal nieuwe professoren vinden we niet terug in het VLIR-rapport. Ook de uitstroom uit het ZAP-korps is niet helemaal te achterhalen uit de VLIR-personeelsstatistieken. We vinden enkel cijfers voor “gepensioneerd ZAP-lid dat als bezoldigd emeritus blijft verder werken”, maar er zijn ook andere pensioneringen en bovendien verlaten sommige professoren een Vlaamse universiteit om een andere reden, bijvoorbeeld om in het buitenland te gaan werken.

Hoeveel is het wel?
We vroegen de cijfers op bij ECOOM (met dank aan Noëmi Debacker) van het aantal nieuwe aanstellingen. Van alle personen die voor het eerst een aanstelling hadden als docent voor minstens 50%, hoofddocent, hoogleraar of buitengewoon hoogleraar zien we dat 38,3 % een vrouw is in academiejaar 2016-2017 (82 op de 214). Dat is de hoogst genoteerde vrouwelijke instroom tot nu toe. De vijf voorafgaande jaren schommelde het aandeel vrouwen onder nieuwe aanstellingen tussen 28 % en 35%.

Percentage van vrouwen en mannen onder nieuw benoemde professoren in Vlaanderen, 1995 tot 2016

De cijfers schommelen bovendien sterk per wetenschapscluster. Voor de academiejaren 2015-2016 en 2016-2017 samengenomen:

· Medische: 38,3 % vrouwen (op 149 aanstellingen)
· Humane: 45,6 % (op 57 aanstellingen)
· Sociale: 40,2 % (op 82 aanstellingen)
· Toegepaste: 22,5 % (op 89 aanstellingen)
· Natuur-: 12,2 % (op 49 aanstellingen)

Conclusie
Het is dus helemaal niet zo dat het grootste deel van de vacatures naar vrouwen ging. Er is een evolutie richting een meer gendergelijke instroom, maar van het “inlopen van een achterstand” is geen sprake.

 

De Morgen publiceerde een rechtzetting in de krant van 14 februari, rechtsonder pagina 9.

 

 

Met dank aan Remco Sleiderink om deze opmerking als eerste publiek te maken, en dank aan Lendert Gelens, Niel Hens, Remco Sleiderink en Noëmi Debacker voor hun opzoek- en interpretatiewerk.